
Speech Job Cohen
Het is voor mij een grote eer dat ik vandaag, op deze bijzondere dag, mag vertellen over een heel bijzonder mens, die vijf jaar lang mijn leraar Grieks is geweest: mijnheer van Amerongen.
Ik herinner me van zijn lessen weinig en veel verder dan de eerste paar regels van de Odyssee kom ik nu niet meer. Maar ik zie hem nog zitten in de klas. Nou ja zitten… hangen is een beter woord. Met zijn voeten in een uitgetrokken lade van het bureau, wippend op zijn stoel, sigaar in de mond; ja, dat kon in die tijd. Met zo nu en dan een verbale uithaal waar je lang van kon genieten.
En natuurlijk herinner ik me de geboorte van zijn zoon Job in 1964, want samen met mijn klasgenoot Jop van den Berg mocht ik mee om hem aan te geven bij de burgerlijke stand. Fijn dat Job hier vandaag aanwezig is.
Mijnheer van Amerongen was dus een bijzondere leraar. Een man uit één stuk, hoe klein hij ook was. Met heel veel aandacht voor, om niet te zeggen met een grote nieuwsgierigheid naar al zijn leerlingen en zijn collega-docenten, die hij stuk voor stuk doorzag, en voor wie hij zoveel betekend heeft. Ja, wij wisten dat hij Victor was in dat beroemde boek van G.K. van het Reve, De Avonden, en dat vonden we heel bijzonder. Maar het verhaal daarachter, dat kenden we niet, konden we niet kennen, want hij vertelde er nooit over.
Het verhaal daarachter is het verhaal van de joodse verzetsgroep P-P, dat wij hebben leren kennen doordat Loes Gompes dat heeft beschreven in haar boek Fatsoenlijk Land, dat ook de basis is voor de gelijknamige, indringende documentaire die zij samen met Sander Snoep heeft gemaakt en die te vinden is opNPO Start. Toegespitst op Bob van Amerongen heeft Loes dat verhaal ook gepubliceerd in De Groene van 27 mei 2014. En ik, op mijn beurt, maak, met haar instemming, gebruik van dat artikel. Ook Loes is hier aanwezig, en ik ben haar dankbaar dat zij het verhaal van deze verzetsgroep heeft opgediept en verteld.
Bob van Amerongen werd geboren in 1924, en groeide op aan de chique Wilhelminalaan in Alkmaar. Zijn ouders waren docent aan het Murmellius Gymnasium: zijn moeder Henriëtte doceerde Nederlands, zijn vader Jules Engels. Bob was een goede leerling. Niets leek een onbezorgde jeugd te kunnen verstoren. Tot de oorlog uitbrak.
De familie Van Amerongen ondervond al snel de consequenties van de Duitse bezetting. Vader Jules, die joods was, werd eind november 1940 van school gestuurd. Op 21 november van dat jaar werden immers alle joodse ambtenaren, inclusief docenten en hoogleraren, uit hun functies ontheven - ook mijn grootvader.
Bob verliet uit protest de school. Hij vond de adhesiebetuigingen van de leraren bij het ontslag van de joodse collega’s ondermaats. In de zomer van 1942 begonnen in Amsterdam de deportaties van joden naar de vernietigingskampen, in de winter van 1942-1943 vertrok Jules van Amerongen naar het zuiden van het land om onder te duiken.
Steeds meer joodse familieleden van vaders kant, deden een beroep op Bob. Hoewel hij nog jong was - nog geen twintig… -, stond hij spoedig bekend alsiemand op wie je kon steunen en die je kon vertrouwen. Zo heeft hij ook de moeder van Loes, haar broer en hun nichtje aan een onderduikadres geholpen.
Wat er in die tijd in hem omging, blijkt uit het volgende dagboekcitaat van september 1943: ‘(…) de pijn die ik bij dit alles gevoel is niet zozeer om deze oorlog, als welom het weinig verheffende schouwspel dat onze landgenoten bieden. Soms heb ik de neiging om op de straten en muren te kalken dat het oorlog is, en dat wij erin betrokken zijn met al onze kleinere en grotere belangen. Ze weten het niet, ze willen het niet weten. Ze accepteren de capitulatie van nu drie jaar geleden als een vervaagd feit, iets wat nu eenmaal gebeurd is en waaraan en waarna niets meer te doen valt. (…) De strijd is gestaakt en ze vinden het lijdelijke verzet al heel heldhaftig.’
Vanaf het voorjaar van 1943 gaf Bob (toen 19 jaar) samen met schoolgenoot Jan Hemelrijk (25 jaar) leiding aan een in Amsterdam gevestigde verzorgingsgroep. Want dat is wat zij deden: zij zorgden voor al diegenen die mede dankzij hen ondergedoken waren. Die groep zou later bekend worden als de PP-groep, een naam ontleend aan de fantasiebeesten ‘Porgel’ en ‘Porulan’, uit het clandestien verschenen nonsens-rijm De Blauwbilgorgel van Cees Buddingh’.
Jan Hemelrijk bekwaamde zich in het vervalsen van persoonsbewijzen, Bob van Amerongen in de meer logistieke en verzorgende kant van de onderduik. Hij zocht naar onderduikadressen, en regelde geld, bonkaarten en spullen. Ik hoef hier niet te vertellen wat een ongelofelijk moeilijke klussen dat waren, iedere dag opnieuw: onderduikadressen, geld, bonkaarten, spullen… En iedere dag opnieuw het gevaar lopend om verraden te worden. Zijn assistente was Tini Israël, destijds nog verloofd met Karel van het Reve.
Met beiden zou hij zijn leven lang bevriend blijven. Aan de vooravond van de hongerwinter werd de Vrije Groepen Amsterdam (VGA) opgericht, een federatie van zo’n veertig Amsterdamse groepen, alle gespecialiseerd in de joodse onderduik. Twintig procent van de leden had een joodse achtergrond – waarmee het stereotiepe beeld over joden die zich niet zouden hebben verzet tegen hun noodlot onjuist blijkt. Bob werd binnen deze organisatie actief en was mede verantwoordelijk voor grote voedseltransporten op schepen uit Friesland.
Kunnen wij ons hierbij wat voorstellen? Op zulke jonge leeftijd zulk verantwoordelijk werk doen dat voor al die onderduikers van essentieel belang was, iedere dag opnieuw… Kunnen wij dat? Wij, die nu al tachtig jaar lang vrede, vrijheid en vooruitgang kennen? Ook daarom is het zo belangrijk dat wij deze verhalen blijven vertellen, zeker in een tijd dat die vrede en die vrijheid minder vanzelf spreken.
Op zulke jonge leeftijd zoveel doen onder zulke omstandigheden… en daar dan jaren lang niet over praten en doen alsof je een gewoon leven achter de rug hebt. Met een wonderlijke opgewektheid, met zoveel plezier in het leven, ook al ging bepaald niet alles overrozen. Zoals zoon Job mij vertelde: “hij heeft op jonge leeftijd grote risico’s genomen en dingen meegemaakt die zijn leven blijvend hebben beïnvloed, zonder dat ik daar ook maar een moment last van heb gehad.”
Het was zijn invulling van wat hij in het boek van Loes zegt: ”Ik heb voor de deur van mijn huis in de Okeghemstraat een jonge verzetsstrijder doodgeschoten zien worden. Na de oorlog hoorden we over de vernietigingskampen. Zoveel slechtheid in de mensheid was een schokkende ontdekking. Na een dergelijke ervaring kun je twee kanten op. Of je wordt een hemelbestormer of je vervalt in lethargie. Ik wilde geen van beide. Ik ben kleine, haalbare dingen gaan doen.”
”Ik ben kleine, haalbare dingen gaan doen” … niets daarvan, niets klein, maar hij maakte ze haalbaar. En het is fijn om op een dag als vandaag daarbij stil te staan, bij mijn leraar Grieks, die zoveel meer heeft gedaan dan dat.
Job Cohen
25 februari 2026
Op de hoogte blijven?
Vul hier uw gegevens in en ontvang onze nieuwsbrievenContact
info@nadeoorlog.nl
085-2500281
06-39762378
NL95 INGB 0102 0329 98 t.n.v. stichting Na de Oorlog


